Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen-de laatste helaas! zeer plat-werden op zij gezet. Toen ontbeet men, om eenigermate de krachten te herstellen, die sedert het vertrek zoo nutteloos verspild waren.
/0/12776/coverbig.jpg?v=3654bb8952ce8fb1673e53c6ec905d7a&imageMogr2/format/webp)