Lente
eer eens aan Zieneken, aan haar ouden vader en haa
oogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche, groene gras tintelde van zilveren madeliefjes
n, in de schaduw van het groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met een heldergroen
nd en woonde daar alleen, met haar op la
tdurend in bewondering naar kijken moest.-Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd" zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer
kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de overvloedige weelde van hun vederlicht-nee
n liep ik even binnen in het huisje, vroeg of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te krijgen en nog eens haar donkere oo
s twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere; en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden. Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den sc
heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar ik weldra, door het halfduister, r
even half buiten, wenkt mij, met een
loop ik stilletj
een vreemde, half lachende. half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch gelaat. "Moa
r gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen. zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't
ieneken?" vra
mond. En zacht duwt ze mij half om den h
cheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar door een dubbel rijtje pa
van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide rechterhand, de glinsterschicht van een g
bevend. En plotseling springt ze to
sloeber! Wilt 'n kie
n grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem 't mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een kleine, rosblonde
kier da 'k hem azeu betroape; moar as 't nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op
elkaar en met een mep om zijn oor, die hem ev
eren als karbonkels, haar wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en inspanning, laat, beter n
da koewachterken? Tegen wie vecht hi
n zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te
dig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de hooge, donker
et verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag, vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche vlammetjes in 't eenzaam haardje, vóór mijn geest opglansde en als een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,-hoe of waarom juist gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonder
de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht zweeft ook nu en dan
igt, vlak eronder, en als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd roze boerderijtje. Ik duw
n be
," klinkt een on
ieneke
l jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend, vaag-wantrouwig, den groot
lachend. "Mag ik ne kier binne k
ar beide handen in elkaar slaande. En verrukt, met st
ij toch veranderd! K'n
en over het
en zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.-Moar zet ou, meni
e, lange, bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog, waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte haren loopen nu fijne, zilvere
ok hield ik niet onaangeroerd en diep en zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien g
iets dat ik ga
ie mee zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan
broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over
vlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar. beladen k
chtelijk, vechtlustig Feelken, zoo
zei Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en h
vrouwtje datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vro
ei Zieneken; de die?
elijk, zoo welbekend boerderijtje. Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen war
nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het achterhuis en de bevrijde vlammen va
e, met elkaar spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitge
jd uit is en dat ik nooit op het aardi
er dan het andere en om de beurt elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weergl
ND